Steun onsContact

Geschiedenis van de Synagoge in Buren

De synagoge in Buren, een tegen de stadmuur gebouwd ‘muurhuis’ dat nu een culturele ontmoetingsplek is, is van 1804 tot 1890 als sjoel in gebruik geweest door de Kehila, de Joodse Gemeente, van Buren. Tot die tijd werden de synagogediensten, zoals gebruikelijk, bij leden van de Joodse gemeenschap thuis gehouden totdat er voldoende geld én leden waren om een synagoge te laten bouwen of daarvoor een gebouw aan de kopen. 

Auteur: Pierre van der Schaaf

Het gebouw 
In het halletje moet indertijd een fonteintje zijn geweest om de handen te wassen om vanuit de onreine buitenwereld in de reine wereld van de synagoge te mogen komen. De vrouwen gingen via de trap naar de voor hen bestemde galerij op de verdieping, net als de kinderen die nog geen bar mitswa (jongens vanaf 13 jaar en bat mitswa (meisje vanaf 12 jaar), religieus meerderjarig, waren.
Naar achteren doorlopend moet beneden het (onmisbare) mikwe zijn geweest, het religieuze bad. Daarin werden zowel mensen als voorwerpen spiritueel, en niet hygiënisch, gereinigd om geschikt te worden voor religieuze handelingen.
In een naastgelegen pand moet een lokaal zijn geweest voor de Joodse lessen, verplicht voor de kinderen die ‘op moesten’ voor bar mitswa en bat mitswa. Deze lessen waren op de vrije woensdagmiddag én op zondagmorgen. Tenslotte moet er een woning zijn geweest voor de rebbe (letterlijk ‘mijnheer’) die niet alleen geestelijk leider was maar (meestal) ook chazan (voorzanger en daarmee leider van de synagogediensten), sjoucheet (ritueel slachter), moheel (besnijder) én godsdienstleraar. Verreweg de meeste rebbes in de mediene (alle plaatsen buiten Mokum – Amsterdam) verdienden hun brood als koopman. Alleen grote plaatsen konden zich financieel een rabbijn, Joodse geestelijke geleerde, veroorloven!
In het midden van de sjoel, stond de Bima, de verhoging van waaraf de dienst werd geleid. Het Jiddische woord Sjoel voor synagoge is afgeleid van het Duitse woord Schule (school): de synagoge is immers de plek waar ‘gelernt’ (geleerd) werd (en wordt). Tegen de oostelijke blinde muur moet de Aron Hakodesjhebben gestaan, de kast waarin de Torarollen werden bewaard.

 

De Kille van Buren
De Kehila (Kille in het Jiddisch) van Buren is altijd klein geweest: in 1809 telde de stad 53 Joodse inwoners, een aantal dat in 1840 was geslonken tot 25 en in 1869 tot 15. Kort daarvoor, in 1864, werd de synagoge nog gerenoveerd. Waarschijnlijk zijn toen de in die tijd populaire neogotische ramen aangebracht. Dat alles wellicht tegen beter weten in want in 1899 was het aantal Joodse inwoners van Buren gedaald tot 9 en dat betekende dat er geen minjan meer was: de 10 Joodse mannen die nodig zijn voor een Joodse religieuze bijeenkomst. 
De paar leden van de Kille uit de omliggende plaatsen, zoals Geldermalsen (die plaats kende enige tijd een eigen kille met een huissjoel), Tricht, Beusichem en Zoelmond, boden onvoldoende soelaas: samen telde de Kille zo’n 40 personen inclusief vrouwen en kinderen.

Het einde van de Kille van Buren
In 1900 vertrok de laatste Joodse inwoner van Buren, Israël van Buuren die zijn koosjerevleeschhouwerij aan de Rodeheldenstraat had, naar Tiel. De rode Toramantel die de door hem meegenomen Torarol omhulde is daar nu te zien in het Flipje en Streekmuseum. In 1906 werd de Joodse Gemeente Buren officieel opgeheven en bij die van Tiel gevoegd.
Van Buuren verkocht de inboedel van de sjoel, inclusief de (waarschijnlijk) door de freule Van Pallandt (van het Huis van Geldermalsen) geschonken kroonluchters, en het pand. Dat werd daarna pakhuis, varkenskot (!) én gemeentelijke dienstwoning voor de gemeentebode. Sinds de restauratie in 1968 functioneert het gebouw als expositie- en vergaderruimte. 

Joden in de regio
Halfweg de 15e eeuw vertoefden er in ieder geval al Joden in de regio. In Tiel werd in 1459 bepaald dat Joden herkenbaar moesten zijn door het dragen van een teken: een op de kleding genaaide gele lap stof. De meesten waren uit Duitstalige landen afkomstige Joden, de Asjkenaziem, die als kooplieden marktdagen en de paardenmarkten bezochten. Bijvoorbeeld de in 1461 voor het eerst gehouden paardenmarkt in het nabij gelegen Beusichem. Zij hadden hun eigen taal: het ook aan het Duits verwante Jiddisch. 

Moses Ephraïm
De oudste vermelding van de aanwezigheid van Joden in Buren dateert uit 1646, toen Moses Ephraïm door Prins Frederik Hendrik, Graaf van Buren, werd aangesteld als octroy-houder, pachter van de Bank van Lening in Buren. Prins Frederik Hendrik
Vanwege zijn verdiensten schonk de Magistraat van Buren hem en zijn nakomelingen het Groote Burgerrecht. Het kwam in De Nederlanden maar zelden voor dat een Joodse inwoner dat recht ontving. Even uitzonderlijk was het dat Moses Ephraïm, eigenlijk de uitzondering die de regel bevestigt, in 1648 als broeder van het Koopmansgilde werd aangenomen en als zodanig in het Burense Gildeboekingeschreven. In het algemeen kon Joden geen lid van Gilden worden.
In 1672, maar mogelijk al in 1613, werd een stuk grafelijke grond geschonken om daarop een Joodse begraafplaats aan te leggen. Die bestaat nog steeds en ligt aan het begin van de Aalsdijk te Buren. Hij wordt daar aangeduid met de borden met de tekst 'Voormalige Israëlitische Begraafplaats'. In beginsel is die tekst onjuist: het is immers ‘eens een Joodse begraafplaats altijd een Joodse begraafplaats’ vanwege het eeuwigdurend grafrecht!

Joodse begraafplaatsen
De Joodse begraafplaats aan de Aalsdijk is niet alleen een van de oudste maar was toentertijd ongetwijfeld een van de grootste Joodse begraafplaatsen van ons land. Hij was overigens niet alleen bestemd als laatste rustplaats voor Joodse inwoners van Buren maar ook voor Joden uit de regio. Zo zou het tot 1764 duren voordat Culemborg en 1827 voordat Tiel een eigen Joodse begraafplaats kreeg.

Onderzoek aan de Aalsdijk heeft duidelijk gemaakt dat daar meer dan 450 personen hun laatste rustplaats vonden. Een ieder met een eigen graf en (in beginsel) verzekerd van eeuwigdurende grafrust.
De begraafplaats werd aan de Aalsdijk werd in vroeger eeuwen regelmatig verstoord door hoog water en dijkdoorbraken waardoor naar verluidt, kisten en houten matsevot (zerken) door het water werden meegesleurd en zerken afbraken. Wellicht werd mede daarom in 1845 in Buren een nieuwe Joodse begraafplaats in gebruik genomen. Deze ligt naast de algemene begraafplaats in het Plantsoen. Daar vond in 1895 de laatste begrafenis plaats.

 

 
 
 
 
 

Sponsoren van de Synagoge Buren

Steun ons Contact